geselecteerd als gefixeerd bericht
Koenraad Goudeseune
AMERIKAANSE SCHRIJVERS
Amerikaanse schrijvers 1.
Het was zo’n avond waarop ik
het maar niks vond wat ik had geschreven.
De meeste van mijn avonden waren zo.
En iedereen maar zeggen dat ik
een goeie dichter was.
Ik ging naar buiten.
Ik stop ermee, zei ik.
Het is genoeg geweest.
Ik had thuis nog een halve bak bier.
Dus na een tijdje keerde ik terug.
Ik bleef nog de hele nacht zitten drinken.
Zo voelt dat dus, dacht ik, stoppen met schrijven.
Hoofdplaat.
We reden in Zeeland over de kustweg, trager
dan toegestaan, want achter een lijkwagen
met één pinker, kilometers lang, aan en uit.
Mijn vriendin, haar tante aan het stuur,
ik op de achterbank met een kater.
Tot vanmorgen met jou zitten praten.
In een gedicht dat ik nog schrijven moest,
zou ik het daarover hebben.
Over hoe niemand iets zei,
als waren we familie en op weg
naar een laatste rustplaats.
Maar eerst nog naar zee dus.
Altijd meegenomen in een gedicht voor jou.
Neem nu die meeuw die boven mij kwam hangen.
Ik had het gevoel dat meeuwen mij herkenden
van toen we nog maar net uit Gent waren.
Maar die meeuw hing daar zoals meeuwen meestal zijn.
Circus
Ik liep tegen de morgen aan
door een circus dat gesloten was.
De leeuwen brulden al,
maar moesten nog ontwaken.
Van de clowns geen spoor.
Alleen een dwerg aan een pianootje,
al heel druk in de weer.
Brief uit Spanje
Van het midden van de zomer en van planten die zich met weinig water in de gangen voeden, heb ik geen last. Vreemdelingen aan de balie spreken vloeiend Vlaams en de lobby is fanatiek in de was gezet. In de nabijgelegen stad is alleen het water veilig en schaars. Men heeft het over bosbranden en over stieren en ‘s avonds keert er steevast een flamengobandje huiswaarts zonder fooi. Mijn kamer geeft uit op een steegje en dat steegje op een parking voor touringcars. Gisteren vond ik er het wegstervend deuntje van een ijskreemkar in mijn eentje uit. Iemand vroeg me erg beleefd of ik hier voor de nieuwe gevangenis ben. Al het hotelpapier in één klap aan het huilen, kun je rekenen.
Dagboek
‘Hij komt al eens te vroeg,’ zei mijn vriendin
tegen de gasten, intimi.
Ze had het over mijn bedprestaties
van een jaar geleden.
We dronken wijn uit een streek
van viriele plukkers, persers.
Eerst witte bij de vis. Daarna rode.
‘Blij dat hij nog komt, die vriend van je,
weliswaar te vroeg, als een kerselaar
in putje winter,’ zei ik. ‘Maar toch.’
‘Wie niet?’ zei iemand na een lange stilte.
‘Wie nog?’ vroeg ik. ‘Rode of witte?’
Vrouwen, anders niet verlegen,
hielden als heel erg kleine portomonneetjes
hun monden.
Gelukkig gebeurde er die avond nog een wonder.
Vrouwen
Tegen twee soorten vrouwen kan ik niet
en begot ze is ze allebei.
Ik hoorde truckers over de éne praten
en ze hadden het over rijden
over verse macadam.
Er was een blonde hond met krullen,
hij legde Kerst en Nieuwjaar
op haar knieën en zei dat hij daartussen
eens zou binnenwippen.
En ik dacht, jawel, jawel, er komt een dag
dat ik blazé van wanhoop en van Duvel
om een bierviltje, stilte en een stillo vraag
en iets schrijf, een kreet: hoer, non, actrice
De azielzoekster
Mij deed het ook aan de muziek van Shostakovich denken
en aan een boek van Sjalamov (hij schreef alsof hij dood was)
over Russische strafkampen dat ik voor mijn verjaardag kocht
of kreeg.
Ik had een Tjetsjeens meisje in mijn taxi.
We reden naar de haven.
Dat ook.
En later, bij de piano, stond de schop
waarmee ik sneeuw ruimde in een plas bloed.
Momento mori
Je had iets vriendelijks moeten schrijven over de dood.
Nu staat hij voor je deur als een kind met in koude handjes
warme wafels.
Akoestisch
Over bomen werd nauwelijks geschreven
door de antieken, ook al werden bomen
heel erg oud en naargelang de kwaliteit
voor vele doeleinden gebruikt.
Een bijl had een ambacht en een handvat nodig,
een boog moest kunnen plooien
en iedere pijl was ooit een twijg.
Ook om vuur te maken kwam hout warm van pas.
En wat vermag opvoeding zonder kruis?
Amerikaanse schrijvers 2.
About the most important thing
in my life, I can be brief,
it was my wife.
De zee
Wat je bijvoorbeeld nooit ziet aan zee
zijn konijnen, of kippen in een ren,
een paar biggen en een grazend geitje.
Nooit
een gedicht over de zee willen schrijven
en andere misdaden.
Amerikaanse schrijvers 3.
One should read a poem
before gambling.
One should drink
before reading a poem.
One should get drunk nor rich.
‘A poem should not do so’
one should know.
Cosmos
‘Er is geen dal meer,’ zei de gids.
Hij wees als naar de palmen van een reus
waarin water dat van hoger kwam
een bergmeer vormde,
niet groter dan een camping.
Ik zou het op een ansicht
naar je sturen
als je nog leefde.
Er is geen dal meer.
Ik vond dat kort en mooi.
En dat van die camping natuurlijk.
‘Dat is jou ten voeten uit,’
zou je me hebben gezegd.
IJdelheid
Ooit neemt er iemand
een taxi naar mijn graf.
Ambacht
Iedere dag gedicht
tot aan mijn veertigste.
Daarna ook ‘s nachts.
Niet kunnen slapen, hé.
Amerikaanse schrijvers 4.
Waarom kan je als je dronken bent
nog gedichten schrijven over de zon?
De zon gaat onder en jij moet achterblijven.
Je dacht: ik ga zoveel drinken dat ik kan slapen
als de zon er nog is, dan ga ik slapen
en niet meer drinken.
Als je nog eens geboren wordt
moet je het rustig aan doen.
Ook met Thanksgiving.
Senryu
Ik vulde het bad met water
waarin nog nooit iemand
heeft gesparteld.
Het kind was in de war.
Casanova
Vrouwen die van planten houden,
geen andere heb ik gekend.
Amsterdam, oude kerk
Prestant
Quintadeen
Regaal
Gemshoorn
Nasard
Sifflet
Tremulant
Roerquint
Dulciaan
Baarpijp
Vogelkens
Zelf
zelf
een
jan
arends
achtig
gedicht
willen
schrijven
maar
mislukt
Twijfel
Mijn poëzie zonder muziek.
Mijn muziek zonder poëzie.
Een nieuwe televisie
Nog platter.
Het kastje,
je verwacht:
dat kastje gaat staan pronken,
of zich bij porno hevig schamen.
Voorbeeld
Neem nu Hirohito.
Dat hij niet onaardig piano kon spelen
op zijn Yamaha?
Niemand die het werkelijk interesseert.
Hij sprak, voor miljoenen mensen,
over de radio, als het te laat was.
En muziek was het niet.
Kleinkunst
Tekstjes. Deuntjes.
En na afloop komt de zanger
altijd naar je toe.
Vervelend doen over poëzie.
Aan de letterencommissie
Een tinnen vredesactivist
en andere gedichten,
dat wordt de titel
van mijn nieuwe bundel.
Of korter nog.
Puntje puntje puntje
en andere gedichten.
Of geen andere gedichten…
Daar moet ik nog over nadenken,
samen met de mensen van de lay out.
Vermoedelijk maanden.
Beloofd.
Slam
Ik sta hier toch maar weer.
In mijn weide
die andere koeien
hebben kaalgevreten.
De aarde tot podium aangestampt
door koeienpoten van dode dichters
en de droge regen van applaus.
De dichters zijn nog altijd koeien
en door een microfoon is het lekker loeien.
In plaats van één
vier poten breken. Gauw.
Het Toreken
Het sneeuwt in Gent,
de meeuwen zitten kou
te lijden op de Schelde.
En waar die samenvloeit
met de Leie, kijkt een dichter
uit zijn raam en denkt:
Vlieg toch op beesten,
vlieg naar het Toreken
op de Vrijdagmarkt.
Schijt op het PoëzieCentrum.
Jullie poep is net zo wit
als vlokken
maar blijft langer
bokken.
Veranderlijk
1.
Zeven gedichten stel ik mij voor,
al kan het voor zo’n gewichtig thema
misschien met één?
Eén allerhoogste, één stilste, één liefste
die afdaalde, brieste, mij verliet.
Eén gedicht dat na zeven keren lezen
nog altijd zegt: verander lijk,
wordt weer mijn moeder, blijf.
Ik zou niet weten wat er na al dat lezen
met dat gedicht gebeurt. Maar schrijf ik,
dicht ik voor haar die niet meer is alleen.
2.
Soms, heel soms, is ook twijfel niets dan spel
en wordt die listig als een joker ingezet. Dichters,
ze hebben met komedianten dat veranderlijke gemeen,
die feilloze timing waarmee een grap staat of valt.
Zoals ik het over mijn moeder heb.
Het mens is al langer dood dan dat ze voor mij leefde.
Wil nu eindelijk eens iemand lachen,
zich bescheuren, het in zijn broek doen van de pret.
Ik kan het niet. Nog altijd denk ik zeer terecht dat zij
geen gevoel voor humor had en zeggen zou: genoeg,
schaam je, of wie weet heel zacht mijn gat zou vegen.
MENEER RICERCARI
1.
Meneer Ricercari droomde van de stadsdichter en van zijn grootvader.
In een kerk of een troonzaal, in ieder geval oud, oud.
En in de weer met kaarsen, hij.
Buiten was het eeuwig ruisen.
Binnen hartverwarmend donker.
Hij nam hem mee naar een altaar
alwaar Meneer Ricercari gregoriaans wou weten
hoe hij met een knipmes kaarsen schilde
tot ze als van glas
of de blanke vingers van de Madonna waren
en licht gaven, onaangestoken.
“Zo heb je er thuis ook nog wat aan.”
Daarna droomde Meneer Ricercari van zijn grootvader,
oud, oud,
die aan de keukentafel porto zat te drinken.
“Jij moest maar eens naar het hospitaal,”
zei Meneer Ricercaris dode moeder en nam hem mee.
2.
Meneer Ricercari denkt er ligt een lijk in het kanaal,
maar hij vergist zich danig, het is geen lijk,
het is een gedicht van Alain Delmotte.
“Het aardigste dat ik erover kan zeggen
is dat het bovendrijft,” denkt Meneer Ricercari.
Je moet al drie hoog huizen en weten dat Alain Delmotte
gedichten schrijft, dan nog kan iemand zich vergissen,
neem nu Meneer Ricercari, want niet één gedicht
drijft voorbij, maar alle door Alain Delmotte geschreven.
3.
Meneer Ricercari heeft een huisvrouw waarvan hij op het internet
naakte gelijkenissen niet treffend genoeg vindt om er zich bezorgd
over te maken. Niet één daarvan schilt aardappelen,
of hangt de was buiten. Wel beffen en pijpen en op zijn hondjes
als konijnen. Maar stofzuigen en porno gaan niet samen.
Meneer Ricercari leest de geslachtsdaad als een partituur
en zet het geluid af zodra de huisvrouw een noot kan horen.
Maar zij weet wel beter en waarschuwt ons voor zijn grote lul.
‘Meneer Ricercari,’ zegt ze op de overloop, ‘houdt van storm maar bidt
toch steeds opnieuw van zodra het begint te druppelen.’
‘Natuurlijk,’ zeggen wij en kloppen zo voorzichtig mogelijk aan.
Ofschoon doof, opent Meneer Ricercari onmiddelijk. Als in een roman.
4.
We vinden Meneer Ricercari even later diep voorovergebogen.
Zal hij een nocturne spelen of houdt hij het slechts bij bidden?
Vragen en nog eens vragen. Het licht is duidelijk van Chopin.
Van een toneelauteur die alleen Pinter kent, de geur.
Wij durven niets te zeggen. Het zou al heel hard zoeken zijn naar gekuch.
Maar misschien speelt Meneer Ricercari jazz of boogie woogie in zijn vrije tijd
en wacht hij tot een van ons de opmaat geeft, of zegt: Fatz Domino?
Meneer Ricercari, Meneer Ricercari, ontwaak toch uit je Belgische droom
vol intellectuele verworvenheden. We zijn in Vlaanderen al veel te lang gewend
aan ontwaken en dromen of alleen maar slapen. Meneer Ricercari,
hier zijn wij. Wij zijn niet dom. We zijn alleen maar dom geboren.
5.
Er loopt een man met twee honden naast het kanaal.
Een lang en recht kanaal,
zoals een kanaal in Vlaanderen.
Onder de leiding van monniken uitgegraven,
geen greintje fantasie.
En ook die honden lopen niet
verschrikkelijk hond te wezen,
maar als twee oude en brave kezen
die je pantoffels zou willen geven.
Hier ben ik geboren, denkt Meneer Ricercari.
Naast een kanaal kan je recht doorgaan
of terugkeren. En naar hij vreest beide.
